Leiden

Zaterdagavond zijn we bij vrienden op bezoek geweest. In Leie, beter bekend als Leiden. We komen altijd vroeg. Kunnen we na de koffieontvangst nog even een wandeling door de stad maken. Als te doen gebruikelijk hangt mijn camera over mijn schouder paraat te wezen. De duisternis is gevallen. De straten zijn nat van de zojuist gevallen regenbui. De mooie oude straatlantaarns strooien hun licht uit over de stad. De dames kouten over van alles en nog wat. Edwin loopt als een volleerde gids naast mij. Hij wijst naar links, rechts en maakt tijdig bekend wanneer de route verlegd gaat worden. Het is rustig in dit gedeelte van Leiden. Kleine knusse straatjes met achter dichte deuren kleine knusse hofjes. De stad ademt historie. De stad is fotogeniek. ’s Avonds en overdag. Leiden… een hommage waard.

De sfeer van weleer

Als je je ogen dicht doet en je laat deze stad op je inwerken, wordt je gegrepen. Het voorstellingsvermogen maakt plaats voor een stille intense belevenis. Intens, zonder begrenzing. Even wordt het donker en stil. Ik kijk de Vliet af, richting Rapenburg, en zie twee mannen. Eén draagt een muts. Ze staan met elkaar te delibereren. Het is niet verstaanbaar omdat koetswielen over de keien ratelen. Het geluid wordt door de muren weerkaatst. Even later galmt het verder in een nauw steegje. Er hangt een vochtige nevel in en over de stad. Luidruchtig vertelt een man over zijn huwelijksproblemen. Zijn toehoorder mompelt wat als zijnde een reactie. Hij moedigt hem aan verder te gaan met de vertelling. De twee delibererende mannen kijken verstoord op. Het uitbundige gepraat van de anderen stoort hen blijkbaar. De man met een frivool zittende muts en een hoge kraag roept iets. Ik versta het ternauwernood: “Hee, muzikantje, nog steeds trubbels thuis?” De gesprekspartner van het muzikantje – een deftige man met keurig onderhouden korte, bijna blonde, baard – neemt het voor hem op: “Ach, laat hem toch. Hij heeft het al moeilijk genoeg met de huidige emancipatie.” De bemutste man gniffelt en hervat zijn gesprek. Onder een lantaarn laat hij een doek zien. Hij wijst op het doek. Expliqueert de lichtschakeringen. Langzaam kom ik dichterbij. Ongemerkt. Hij toont lichtpartijen. Hij probeert de ander te overtuigen dat netheid en structuur goed over te brengen zijn op doek. De ander twijfelt zichtbaar. Ze zien mij.

Opgemerkt.

Ze kijken naar mij alsof ik een buitenaards wezen ben. Verderop jankt een hond. Een dronken sloeber wordt uit huis gebonjourd door zijn vrouw. Ze is boos omdat hij – wederom – zijn wedde verzopen heeft. De punt van haar schoen schampt langs zijn dronken billen. Hij valt op een knie en strompelt moeizaam overeind. Mijn ogen richten zich weer op de beide mannen. Nog steeds kijken ze gebiologeerd in mijn richting. Of ik ook kunstenaar ben. Nou, nee, maar wel fotograaf. Toch ook wel kunstzinnig bezig met licht en schaduwen, al zeg ik het zelf. Dus geen schilder? Nee, behalve dan om de zoveel jaar de buitenboel. Dat weer wel natuurlijk. Niet begrijpend en hogelijk verbaasd staren ze mij aan. Achterom kijkend controleer ik of daar brandend water te zien is. Ook niet. Mutsman wijst op mijn Leica en vraagt wat dat is. Nu is het mijn beurt om niet begrijpend te kijken. De man zal toch wel weten dat het een fotocamera is? Ik leg uit en posteer beide mannen onder een straatlicht. Kaarsrecht. Duidelijk gemaakt dat ze geen kleurenfoto moeten verwachten want deze camera maakt alleen zwart-wit foto’s. Mail ik wel. Ogen op steeltjes, terwijl ik scherp stel. De ontspanknop wordt ingedrukt en ik toon de heren de foto via het LCD-scherm. Hoezo of ik een ketter of tovenaar ben? Ik zeg toch, gewoon een fotograaf.
De mannen kijken elkaar aan en maken zich voorts haastig uit de voeten. Alsof ik melaats ben. Van Rijn en Steen verdwijnen over de grachten de duisternis in. Richting Morspoort, Mahler en Freud achterna.

Nu in het verleden

Mijn ogen gaan weer open. Of ik de foto nu nog ga maken of niet? Om niemand teleur te stellen, druk ik zonder verder na te denken op de ontspanknop. Beduusd van de realiteit loop ik verder. Was ik nu even in het verleden? Welke Van Rijn en Steen hebben hier gewoond. Zijn gezicht kwam mij wel bekend voor.

Afijn, onderwijl controleer ik snel de gemaakte foto. Tijdloos. Rustiek. Kunstzinnig? Geen pratende mannen. Wel een oude DS ‘snoek’, een oude Jaguar en een eenzame fiets op een brug. Een moderne Mercedes komt de Vliet op zoeven. Ik heb mijn hart verpand.

Rembrandt van Rijn en Jan Steen verdwijnen over de grachten de duisternis in. Richting Morspoort, Mahler en Freud achterna. Leiden: een historisch fotogenieke stad. Als je de sleutels hiervan gevonden hebt, sluit je de stad in je hart.”