Niet alles kan je zien aankomen. Eigenlijk bijna niets, maar soms wel. Het einde zag ik naderen. Ik wist het zeker, omdat het onafwendbaar was. Het was een moment. Een moment van besef. Onbewust liep ik eraan voorbij. Tijdig werd het onbewuste bewust.

Vreemd. Je weet dat het er nu nog is, zo dadelijk niet meer. Vergankelijkheid staart je recht in je gezicht, brutaal. Vergankelijkheid pronkt gebroederlijk – schouder aan schouder – naast kwetsbaarheid. Alsof ze bij elkaar horen, een twee-eenheid, maar ook weer niet.

Het is een vreemde gewaarwording. Letterlijk sta ik nu oog in oog met de waarachtige eindigheid. Is het te voorkomen? Opties passeren de revue, maar geen lijkt kiesbaar. Misschien zou ik de kwetsbaarheid – de gevolgen – inzichtelijk kunnen maken. Kunnen attenderen, waarschuwen, helpen, voorkomen zelfs. Zelfs dat doe ik niet.

Ik fotografeer. Twee pogingen zijn nodig om de gewenste foto te verkrijgen. De foto bij deze column. Een bijzondere foto, want het onderwerp is niet meer, daar op die plaats, daar fier boven het gras, daar waar nu vertrapte leegte heerst. Het restant van onze aanwezigheid. Om die reden moest de foto worden gemaakt. Mensen kwamen, deden, liepen en verlieten. Gelukkig herstelbaar, door de tijd. Het zal even duren. Maar toch.